Antwerpen, 21 april 1970

Je onstuimige brief heeft mij eerst doen glimlachen en dan een beetje ongerust gemaakt. Wat is er met jou aan de hand, Jeroen? Ik heb de indruk dat je echt in de penarie zit en, Christus, ik wéét wat het betekent in de penarie te zitten.

Ik veronderstel dat het allemaal een beetje (en misschien geen klein beetje) een gevolg is van die Manteau-geschiedenis. Enkele weken geleden las ik je publieke biecht in Vrij Nederland. Er stonden voor mij onthutsende onthullingen in en ik heb tijdens de lectuur zo balorig zitten vloeken dat mijn vrouw mij tot kalmte moest aanmanen. Voor mevrouw Manteau is het een vieze boel maar dat jij het slachtoffer bent geworden van die rothaaien, wélk woord moeten we daarvoor uitvinden? Ik heb altijd wel kunnen vermoeden dat het literaire wereldje door stinkend zakelijke manitoes geregeerd wordt maar dat het zo’n jungle is, nee, daar had ik in mijn onnozelheid geen benul van. Laat de smeerlappen je echter niet kleinkrijgen, Jeroen. Je weet toch van jezelf wat je in je mars hebt. Dat heb je reeds bewezen, ook op literair gebied.

Wat die fameuze Ark-prijs betreft. Ik zou liegen als ik beweerde dat ik er de schouders voor ophaal. Dat men nu juist komt aandraven met die pompeuze prijs van het Vrije Woord, nadat de woorden die ik moeizaam uit de gevangenis heb moeten smokkelen jarenlang geen weerklank hebben gevonden, heeft mij ook wel een beetje meewarig doen glimlachen. Maar kom, ik ben ijdel genoeg om gevoelig te zijn voor appreciatie. Ik vind dat een prijs zoveel waard is als de mensen die hem toekennen en nu is het toch wel zo dat ik oprechte waardering heb voor bepaalde mensen van het NVT. (Ik moet waarschijnlijk geen namen noemen). Goed, er is eerst een boek als Recht op antwoord nodig geweest om de bende wakker te schudden, maar dat boek heeft het dan toch maar gedaan. Daarom geloof ik dat de spontane solidariteitsactie die, beter laat dan nooit in de Vlaamse letterenwereld is losgekomen en waaronder jij als een der eersten je schouders hebt gezet, mijn mooiste bekroning is na een hopeloos gevecht. Wil men mijn naam in het zilver drijven? Och, zilver is verduldig, nog meer dan papier. Het gaat niet om dat zilver en (bij ontstentenis van centen) ook niet zozeer om de ‘eer’, maar wél om de uiteindelijke, niet te stuiten doorbraak van het geschreven woord; een besef dat toch ook voor jou, zowel als voor mij, verheugend moet zijn, Jeroen. Herlees nog eens bij gelegenheid die brief waarin ik je vertel hoe ik op die zielige in de gevangenis begonnen ben met schrijven. Bij de officiële overhandiging van de prijs op 7 mei a.s. te Brussel zal ik het tenminste warmer hebben en het eten zal ook beter smaken dan op die onheuglijke 19e februari 1965 in mijn rotcel.

Laat je daarom niet ontmoedigen door je huidige moeilijkheden, Jeroen. Ik wil niet voor zedenprediker spelen, maar enkele weken geleden schreef je mij nog ‘alles kom weer reg’. En inderdaad, het is weer ‘reg’ gekomen. Ook mij overkomt het dat ik weken - en soms maandenlang geen woord op papier kan krijgen; dat ik zelfs geen woord kan lezen. Ook mij gebeurt het dat ik een bak bier of een fles Bols belangrijker vind dan een beschreven blad. Maar vroeg of laat komen wij toch weer tot het schrijven omdat de mikrobe nu eenmaal in ons bloed zit.

Dit klinkt natuurlijk gek maar toch is het oprecht gemeend: als er iéts is waarmee ik je plezier kan doen, schrijf me dan als de bliksem terug of bel mij even op. Groeten aan je vrouw, ook van mijn vrouw en hopelijk tot kijk binnenkort.

2012-06-04