Merksplas, 22 januari 1970

Vooreerst dit, en wel nadrukkelijk: als ik in de hiernavolgende overwegingen hier en daar afwijk van het voorgenomen werkplan, dan wil ik daarmee genendele afbreuk doen aan de goede bedoelingen en ik ben graag bereid elk opbouwend initiatief te aanvaarden als jullie in gezamenlijk overleg zouden menen dat jullie opvattingen, gegroeid uit le choc des idées, moeten primeren op mijn wellicht vertekend en alleszins subjectief inzicht.

Dit gezegd zijnde, herhaal ik dat ik de noodzaak van een zogenaamde ontwenningskuur in een gesloten regime niet inzie. Nogmaals: lichamelijk ben ik op dit ogenblik volledig ontwend (ik ken mijzelf in dat opzicht voldoende om te weten waarover ik praat.) Wel kan er, zoals ik al schreef, gediscussieerd worden over mijn mentale instelling tegenover de ethische kant van het probleem. Ik meen mezelf voldoende te kennen om te weten dat ik instinctief in opstand kom tegen elke vorm van opsluiting, gevangenis, gesticht, hospitaal, of wat dan ook. Het mislukte experiment bij de zeer godvruchtige broeders in de kliniek te Boechout heeft dat trouwens bewezen. (Je mag, verdomme, niet vergeten dat ik met kleine intervallen al langer dan zeven jaren opgesloten zit. Dit neemt echter geenszins weg dat ik blijf geloven in de curatieve waarde van ernstige medische assistentie. Dat ik de psychiaters niet in mijn hart draag, is inderdaad een feit maar deze huiver heeft geen denigrerend karakter tov. van de psychiatrie als wetenschap, op voorwaarde dat ze serieus wordt toegepast. Mijn huiver slaat wel terug op de gerechtelijke psychiaters waarmee ik tot nog toe te maken heb gehad. Niet alleen wordt de psychiatrie in de gevangenis niet serieus toegepast, maar er is eenvoudig geen spraak van psychiatrische behandeling. Goed, mijn weerzin voor de zonen van Freud is dus ongetwijfeld emotioneel geladen, maar vermits ik nu eenmaal voor een groot deel drijf op emoties, verwacht ik veel meer heil van een medische assistentie, waarbij ik met mijn moeilijkheden als een normaal stukje mens en niet als een pathologisch geval benaderd zou worden. Ik heb nog steeds de pretentie dat ik, ondanks bepaalde complexen en allicht frustraties waaruit mijn moeilijkheden zijn gegroeid (en dan vooral IN de gevangenis), niet gekker ben dan jij of koning Boudewijn (excuseer voor de toch wel gekke combinatie.)

(...)

Wat nu het gerechtelijk aspect van de zaak betreft, zou het volgende moeten gebeuren, EN DIT IS ZEER BELANGRIJK. Zoals jij weet (of niet weet) wordt mijn geval om de zes maanden onderzocht door een psychiatrische (sic) commissie, die beslist over de opportuniteit van een voorwaardelijke vrijheid. Administratief kom ik in de loop van de eerstvolgende maand maart opnieuw aan de beurt en er bestaat een behoorlijke kans dat ik zal vrijgesteld worden. Om van die kans een quasi-zekerheid te maken, is het echter wenselijk en allicht noodzakelijk aan de gezaghebbende leden van die commissie zo spoedig mogelijk een document over te maken met de handtekeningen van zoveel mogelijk invloedrijke mensen (al dan niet uit het literaire milieu) en waarin gestipuleerd wordt dat bij mijn vrijlating een ernstige medische assistentie, al dan niet met financieel rapport, gewaarborgd wordt. Hoe meer indrukwekkende handtekeningen, hoe beter natuurlijk. (...) Deze eerste stap is belangrijk en noodzakelijk omdat er over een doelmatige medische assistentie en een gebeurlijke intrekking van de wet van Sociaal Verweer misschien wel juridisch maar niet praktisch spraak kan zijn zolang de commissie zich niet akkoord heeft verklaard met mijn voorwaardelijke vrijlating.

Ik weet niet of de kleine historiek van mijn wedervaren en de documentatie over palfium daarbij nog belangrijk zijn, maar ik geef je in ieder geval enkele summiere inlichtingen. Palfium werd mij in 1959 als pijnstillend middel voorgeschreven door Dr. Caes, die te goeder trouw handelde, voortgaande op de Barnum-reclame over de onschadelijkheid van het product. Einde maart 1960 werd ik voor de derde maal aan de maag geöpereerd door dezelfde Dr. Caes. De operatie had een gunstig verloop maar op dat ogenblik was ik ingevolge herhaaldelijk gebruik reeds gewend aan het product. Mijn internering dateert van 1962 en ik kan je niet vertellen hoe dikwijls ik sindsdien werd opgesloten want ik ben écht de tel kwijt. In ieder geval meer dan tienmaal en de gevangenis als desintoxicatiekuur is dus wel zeer faliekant gebleken. Wat mij daarbij telkens werd aangewreven, was het vervalsen van doktersvoorschriften. Wat juist is, al mag ik er onmiddellijk en met nadruk aan toevoegen dat ik met dit (op zichzelf laakbaar) procédé nooit iemand voor één frank heb benadeeld. Excuseer deze ietwat banale apologia pro causa sua, maar het moest me toch even van het hart.

(...)

Dat er links en rechts in de Belgische gevangenissen nog palfiumanen zitten, lijdt niet de minste twijfel. Of die mensen werkelijk geestesgestoord zijn of als dusdanig worden beschouwd, daar kan ik natuurlijk niet over oordelen. Als ze op dezelfde manier psychiatrisch werden `onderzocht' als ik, dan kun je echter, samen met mij, je verbeelding laten werken. Mocht er voor mij een oplossing bereikt worden, dan hoop ik zeer oprecht dat het ook die compagnons de misère op een of andere manier ten goede komt.

(...)

Ik ben het weer eens volkomen met jou eens dat de opname in de werkgroep van dragonders als Weverbergh, Claeys, Leus, ... niet opportuun is. Het lijkt mij trouwens ondenkbaar dat deze literaire strandjutters samen met Lampo (en met jou!) in dezelfde boot zouden varen. (...) Sinds enige tijd verzorgt Jeroen Brouwers een literaire kroniek in De Nieuwe Gazet. Jeroen staat zeer sympathiek tegenover mijn geval. Ik ben ervan overtuigd dat hij graag een stuk over Recht op antwoord schrijft wanneer je hem een exmplaar bezorgt.

Dat Eddy van Vliet, met zijn gevoelige dichterlijke ziel, ziek is geweest na een bezoek aan Doornik, kan ik me voorstellen, maar doet me ook glimlachen. Hij heeft er waarschijnlijk nog niet het tiende part van de ellende gezien en men heeft hem ongetwijfeld uitsluitend laten zien wat door vreemde ogen mocht gezien worden. Er zit fantastische stof in voor een boek, Johan, maar het doet mij nog steeds huiveren.

2012-06-04