Merksplas, 28 maart 1970

Je vriendelijke briefje doet mijn gedachten onwillekeurig afdwalen naar een op zichzelf banale herinnering. Precies een jaar geleden, bijna dag op dag, was ik een der genodigden op een avondje in een bovenzaal aan de Antwerpse Kaasrui, waar Eddy van Vliet en Paul Koeck voorlazen uit eigen werk. Na afloop van het literair onderonsje ging ik in een naburig café op mijn eentje een pint drinken. In datzelfde café stond jij, eveneens op je eentje, aan de tapkast ook een pint te drinken. Wellicht weet je het niet eens meer. Ik kende je alleen uit je geschriften en van ziens maar de omstandigheden hadden ons voordien nooit samengebracht. Die avond in dat café heb ik toen minutenlang staan aarzelen om je aan te spreken, maar het leek me te gek na die literaire vertoning een gesprek te beginnen dat waarschijnlijk weer eens op literatuur zou uitgedraaid zijn. Ik praat nu eenmaal niet graag over literatuur. De volgende dag zat ik in de Begijnenstraat achter de tralies. Op dit ogenblik zit ik, zoals je wel weet, nog steeds achter de tralies.

Ik rakel die herinnering op omdat ze weer eens bewijst hoe alles in alles haakt met absurde toevalligheden. Als ik je die avond toch had aangesproken, zou het gesprek wellicht niet uitgedraaid zijn op literatuur maar op dingen die op dat moment voor mij wezenlijk belangrijker waren. En, wie weet, misschien zou ik dan niet voor de zoveelste maal in de gevangenis terechtgekomen zijn. Ach, het zijn natuurlijk maar veronderstellingen.

Je spontaan briefje heeft me in ieder geval oprecht genoegen gedaan. Zoals je allicht weet, kom ik zeer binnenkort vrij, mede dankzij de actie waaraan jij hebt meegewerkt. Ik hoop dan ook dat wij elkaar bij een volgende gelegenheid wél zullen vinden, al dan niet aan de tapkast van een café. Voor mijn part mag er dan ook nog over literatuur gepraat worden.

2012-06-04