Op 30 mei 1970 verklaarde een getuige aan de politie: ‘Iets na 19u. is een manspersoon het café Brasserie André, Statiestraat 4, Antwerpen, binnengekomen. Ik ken deze persoon niet. Mij scheen deze persoon onwel. Hij zei geen woord. Wij hebben hem op een stoel gezet en hem wat water voorgezet. Hij bleef daar zo stom zitten. Na enkele minuten wilden wij hem wat bijbrengen met wat water in zijn gezicht te sproeien. Het is dan dat wij iets totaal abnormaals vaststelden. Deze persoon reageerde niet meer. Wij hebben alsdan de ambulantie opgeroepen.’

Die manspersoon was de Roger van de Velde, vijfenveertig jaar oud. Op het ogenblik dat hij bezweek was hij in het bezit van een strip Palfium - een zwaar verdovingsmiddel -, waaruit een aantal pillen ontbraken en van twee doktersvoorschriften, waarvan eentje het betreffende medicijn vermeldde en het andere blanco was. Twee maanden eerder was hij ontslagen uit de psychiatrische afdeling van de gevangenis van Merksplas.

Roger van de Velde werd de eerste keer aangehouden in september 1961 tijdens een alcoholcontrole - hij reed aan de linkerkant van de weg. In zijn auto trof de politie meerdere vervalste doktersvoorschriften aan. Vanuit de Antwerpse gevangenis schreef hij een paar dagen later aan zijn moeder: ‘Waarschijnlijk kunt gij moeilijk begrijpen hoe ik mij zover heb laten gaan, maar de ellende van mijn operaties en de pijn die ik heb moeten doorbijten, liggen aan de grondslag van mijn kwaal. Tenslotte zit ik hier niet als misdadiger, maar veeleer als een zieke. Ik heb niemand nadeel berokkend (tenzij mezelf en onrechtstreeks mijn gezin) en ik heb ook nooit het inzicht gehad iemand te benadelen.’

De ellende en de pijn waarvan sprake namen een aanvang toen hij op drieëntwintigjarige leeftijd ten gevolge van een maagperforatie een eerste operatie onderging. In die tijd - het jaar 1948 - werkte hij als journalist voor De Nieuwe Gazet, schreef hij onder pseudoniem halfzachte pornoromannetjes in de Charming Reeks en was hij pas vader geworden van een eerste kind - er zouden er nog twee volgen.

In afwachting van een tweede operatie trachtte hij de pijnen, de angst en de onzekerheid te verlichten met drank, waaraan hij spoedig verslaafd geraakte; zijn ervaringen hieromtrent verwerkte hij in het verhaal ‘Côtes de Kabylie’, verschenen in de bundel Kaas met gaatjes (1970): ‘Toen ik ook ‘s morgens, onmiddellijk na het opstaan en nog vóór het ontbijt, begon te drinken, sloeg de onrust om in angst. Weerloos voelde ik mij overgeleverd aan een organische kwaal, een behoefte die, onafhankelijk van mijn wil, in mijn lichaam woekerde. Mijn gezond verstand zei me dat ik mij tegen de kwaal moest verzetten. Mijn lichaam weigerde naar rede te luisteren. Het drinken werd een soort animale drift.’

Zijn tweede maagoperatie kwam er in 1951, een derde negen jaar later. Een jaar voor die laatste operatie werd hem het geneesmiddel Palfium R-875 voorgeschreven, dat toentertijd werd beschouwd als een wondermiddel tegen pijn, doeltreffender dan morfine en daarenboven zonder schadelijke nevenwerking. Een vergissing, zo merkten de dokters spoedig, want Palfium bleek erg verslavend te werken, zodat het tot dan toe vrij verkrijgbare medicijn op de narcoticalijst werd geplaatst en enkel nog op doktersvoorschrift afgeleverd mocht worden. Voor Roger van de Velde was het op dat ogenblik reeds onherroepelijk te laat. Hij kon niet meer zonder zijn dagelijkse dosis Palfium, die veel hoger lag dan de voorgeschreven hoeveelheid - zestig pillen in plaats van de gebruikelijke vier -, wat tot gevolg had dat geen dokter nog de verantwoordelijkheid wilde dragen voor de zwaar verslaafde schrijver. De lijdensweg was voor Van de Velde begonnen: ‘Het is inderdaad zo, dat ik herhaaldelijk geknoeid heb met vervalste doktersvoorschriften om in het bezit te geraken van de pilletjes. Het systeem was eenvoudig. Ik verschafte mij bij de eerste de beste dokter, onder een of ander voorwendsel, een voorschrift voor een onschuldig medicijn, schreef er eigenhandig palfium bij, en ging het spul kopen bij de apotheker.’

Na zijn arrestatie onderging Roger van de Velde een psychologisch onderzoek - zijn advocaat wilde hem een gevangenisstraf doen ontlopen door hem op het ogenblik van de feiten ontoerekeningsvatbaar te laten verklaren. In het laatste interview voor zijn dood, dat op 15 mei 1970 in Ons Land verscheen, vertelde Van de Velde: ‘Er kwam wat klassiek klop- en luisterwerk aan te pas met het hamertje en de stethoscoop; mijn curriculum vitae, inclusief de onvermijdelijke kinderziekten en de al even onafwendbare schoolrapporten, werd in vogelvlucht overschouwd; er werd nogal onbescheiden navraag gedaan betreffende mogelijke gevallen van idiotie onder mijn levende en reeds overleden familieleden; en nadat ik nog even mijn broek had laten zakken, was de vertoning compleet.’ Na dit ‘onderzoek’ besloot de zielenknijper van dienst dat Van de Velde leed aan ‘zware karakterstoornissen, gekenmerkt door instabiliteit, schizoïde introvertie en een oppervlakkige levensinstelling zonder spontane emotionele reflexen; dit alles resulterend in een staat van erge geestesstoornis.’ Op basis hiervan werd van de Velde op 20 februari 1962 geïnterneerd, voornamelijk om hem tegen zichzelf in bescherming te nemen. Om zijn verslaving bekommerde zich niemand, zodat iedere keer wanneer hij voorwaardelijk vrijkwam, hij binnen de kortste keren weer achter de tralies belandde, de ene keer in Antwerpen of Turnhout, de andere keer in Doornik of Merksplas. Van de laatste acht jaar van zijn leven bracht hij er bijna zes in de gevangenis door.

Hoe hij daar tot schrijven van zijn boeken kwam, legde hij op 8 februari 1970 uit in een brief aan Jeroen Brouwers: ‘Ik geloof niet dat ik mij ooit eenzamer heb gevoeld dan op die 19e februari 1965 in cel 227 (in de gevangenis van Antwerpen, SB). Men had mij weer eens verkleed in het potsierlijke gevangenisplunje, dat mij allengs vertrouwd is geworden. De zware schoenen klemden aan mijn voeten en ik trachtte de veel te wijde blauwe broek, zo goed en zo kwaad als het kon, op te houden met een rafelige repel die ik van de handdoek had gescheurd, want koord is taboe in de gevangenis (…) Het prozaïsche en wellicht ontluisterende feit is dat ik, in een radeloos verzet tegen de sluipende wanhoop, absoluut iets met mijn handen en mijn geest wilde doen, hoe of wat dan ook. Daarom heb ik bijna automatisch de schrijfstift en de gelijnde briefvellen genomen en met een deken over mijn schouders ben ik begonnen aan het eerste verhaal van het boek, dat in diezelfde rotcel zou uitgroeien tot Galgenaas. Dat verhaal heet ‘De vrouwen’. In het boek werd het later ingelast als nummer zes of zeven, maar het was het eerste verhaal dat ik schreef, en ook dàt leek waanzin want tot dan toe had ik nooit een voet gezet in de tuin van de letteren.’

Galgenaas verscheen in 1966 bij uitgeverij Bruna en werd door de critici lovend onthaald, die zijn stijl vergeleken met die van Willem Elsschot. De overheid was er echter minder gelukkig mee en legde de schrijver censuur op: zijn geschriften mochten de gevangenis niet meer verlaten, een schrijfmachine werd hem geweigerd en zelfs na zijn invrijheidstelling zou hij zijn werk ter keuring aan een commissie moeten voorleggen - maatregelen die later afgezwakt werden. Van de Velde was ontgoocheld, maar liet zich niet ontmoedigen. Een jaar na zijn eersteling publiceerde uitgeverij Manteau zijn volgende verhalenbundel. De slaapkamer, waarin hij een aantal vrouwenportretten schetste, won de Dr. Philipsenprijs. In 1969 verscheen De knetterende schedels, een verzameling biografische verhalen over zijn lotgenoten in de psychiatrische afdeling. Hierin bereikte Roger van de Velde een hoogtepunt. Meesterlijk en zonder overdreven pathetiek beschreef hij de kleine en grote drama’s die zich rondom hem afspeelden en maakte daarmee de burger attent op de wantoestanden in het gevangenismilieu.

Uiting aan zijn ongenoegen gaf Van de Velde datzelfde jaar ook in het opmerkelijke pamflet Recht op antwoord, dat hem de Ark-prijs van het Vrije Woord opleverde: ‘Het ligt niet in mijn bedoeling amok te maken in hun paleizen en kabinetten. Het ligt wel in mijn bedoeling getuigenis af te leggen van wat ik in de penitentiaire vergeetputten van dit land gezien, gehoord en ervaren heb.’ Zijn getuigenis deed een schokgolf door Vlaanderen gaan, waarvan de trillingen zelfs tot in Nederland voelbaar waren. Vele kranten wierpen zich op het geval Van de Velde, en schrijvers, onder wie Hubert Lampo, Walter van den Broeck en Jeroen Brouwers, begonnen acties te ondernemen om hun collega vrij te krijgen - brieven werden geschreven, een petitie opgesteld.

Op 21 maart 1970 schreef Van de Velde aan zijn uitgever Johan Sonneville: ‘Van Lampo verneem ik dat de actie eindelijk goed en wel van de grond is gekomen. Via Strieleman, die de coördinatie voor zijn rekening heeft genomen, werd een week geleden een deugdelijke petitie verspreid en het blijkt dat de handtekeningen letterlijk toestromen. Het document zal een dezer dagen aan de bevoegde instanties overgemaakt worden en dan hoor ik er wel meer van. In ieder geval is er schot in de zaak gekomen.’

De actie kende succes. Op 27 maart berichtte van de Velde vanuit zijn cel te Merksplas aan Hubert Lampo: ‘Inderhaast belangrijk nieuws. Zopas ontving ik hier het bezoek van minister Vranckx, vergezeld van de heer Van Helmont, directeur-generaal van het Gevangeniswezen en de journalisten Toon Van den Eynden en Lode Hancké. Ik vernam dat Hancké heden vrijdagmorgen nog contact heeft trachten te nemen met jou en met Strieleman om mee op bezoek te komen maar dat jullie nergens te bereiken waren. Ik had een langdurig persoonlijk onderhoud met de minister in de beste, ik mag bijna zeggen gemoedelijke stemming. Hij staat er op dat ik zo vlug mogelijk word vrijgelaten en beloofde vandaag nog contact te nemen met de mensen van de psychiatrische commissie, die volgende week over die vrijlating beslissen. Er werd afgesproken dat ik hem (evenals de heer Van Helmont) onmiddellijk moet verwittigen ingeval de commissie geen gunstige beslissing zou treffen.’

De commissie besliste gunstig en schonk de schrijver op 2 april 1970 opnieuw de vrijheid. In Heibelboek (Brito, 1970), een uitgave ter nagedachtenis van Roger van de Velde, schreef Walter van den Broeck over dit heuglijke nieuws: ‘Op 3 april word ik uit mijn bed gebeld. Roger van de Velde aan de lijn! Hij is vrij! Zijn stem klinkt opgewekt, ontspannen. Het lijkt of ik hem in een ruime fauteuil zie zitten, glimlachend, genietend van de lentezon.’

Hoe hij er in werkelijkheid aan toe was, beschreef journalist Paul van Loon, die hem een maand na zijn invrijheidsstelling opzocht (Ons Land, 15 mei 1970): ‘Hij ziet er een beetje spierloos uit. Slappe schouders, ietwat sleffende gang, trage, magere gebaren. En zijn gezicht is zéér vreemd. Het gezicht van iemand die net aan een catastrofe is ontsnapt: de verticale plooien rond zijn mond zitten nog vol opgestouwde verdwazing.’

Hoewel Van de Velde herhaaldelijk beweerde dat hij lichamelijk niet meer aan Palfium verslaafd was, stemde hij er toch mee in om zich te laten opnemen. Per brief liet hij op 29 mei 1970 aan zijn advocaat en collega-schrijver Eddy van Vliet weten: ‘Zopas werd in overleg met Drs. Ghijsbrecht en Keersmaeckers besloten dat het toch geraadzaam is mij een behandeling te laten volgen in een gespecialiseerde inrichting. Woensdag 3 juni a.s. zal ik mij dan ook vrijwillig aanmelden in de Jellinek-kliniek, Keizersgracht 674 te Amsterdam.’

Hij zou er nooit arriveren. Een dag na die brief en vier dagen voor de verlossende opname stierf Roger van de Velde - een zoveelste dosis Palfium was hem fataal geworden.

Op de vaak gestelde vraag of Van de Velde zelfmoord had gepleegd, antwoordde Hubert Lampo in Heibelboek: ‘Neen… Hij had Palfium genomen. Uit het buisje, dat op hem werd aangetroffen, waren er acht tabletjes verdwenen. Hij heeft vroeger veel grotere dosissen geslikt. Indien hij er een einde aan had willen maken, zou hij méér van het goedje genomen hebben. Het was niets voor hem, daar in het publiek te gaan zitten doodgaan. (…) Roger pleegde geen zelfmoord, maar ondanks zijn nakend vertrek naar Amsterdam, wat sommigen nog als de laatste mogelijkheid op genezing zagen (…) ontbrak hem de kracht om nog zonder het verdovingsmiddel te leven, dat voorgoed vat op zijn bloed had gekregen. (…) Hij is vermoord door het schandelijk in gebreke blijven van de gemeenschap.’

Roger van de Velde werd begraven op Schoonselhof te Antwerpen, ereperk R. Het graf is bedekt met een metalen celdeur, door het tralieluik groeien metalen rozen. Behalve de naam van de schrijver is er ook zijn motto op aangebracht: ‘Recht op antwoord. Recht op leven.’ Dertig jaar later blijken van zowel de naam als van het motto verscheidene letters verdwenen.

Postuum verschenen van Van de Velde nog de roman Tabula Rasa (1970) en de verhalenbundels Kaas met gaatjes (1970) en De dorpsveroveraar (1973). In 1980 gaf Mantua zijn verzameld werk uit onder de titel Recht op antwoord & al het andere proza. In geen van zijn laatste drie boeken, waarin de auteur fictieve gebeurtenissen in verhaalvorm goot, haalde hij echter het literaire peil van zijn ‘celboeken’. De woorden die de vrouw van Roger van de Velde tegen Walter van den Broek zei toen zij elkaar voor het eerst ontmoetten, op de boekenbeurs in 1969, bevatten dan ook meer waarheid dan zij ooit vermoed zal hebben: ‘het is ondanks alles toch aan de gevangenis te danken dat hij schrijver is geworden.’

© Stefan Brijs

2015-11-13