Van 1947 tot aan zijn dood werkte Roger van de Velde als journalist voor De Nieuwe Gazet. Ook tijdens zijn interneringsperiode bleef hij in de krant publiceren. Aanvankelijk was hij sportreporter, later werd hij lid van de stafredactie. Rosa Verboven, zijn weduwe, bewaart een indrukwekkende knipselverzameling van de artikels die haar man voor de krant schreef. Vooral de veelzijdigheid van de journalist Van de Velde komt daarin tot uiting. Hij schreef namelijk over alle soorten onderwerpen. Een verslag van de ‘Waalse Pijl’ werd afgewisseld met een polemiek over het ‘Hondenprobleem in de Antwerpse flatgebouwen’. En er verschenen van zijn hand zowel theaterrecensies als berichten over verkeersongevallen. Bovendien was hij een geliefd cursiefjesschrijver.

Collega’s van Van de Velde herinneren zich hoe hij onwaarschijnlijk snel en efficiënt kon werken. Hij was blijkbaar een echte ‘deadline-reporter’; iemand die een half uur voor het sluiten van de redactie nog aan een hoofdartikel kon beginnen.

 

Collega’s herinneren hem ook als feestvarken en drinkebroer. Legendarisch waren zijn ‘Shakespeare-opvoeringen’ vanop cafétafels. En soms moest Van de Velde wel eens een stuk schrijven over de entourage van het wielrennen, gewoon omdat hij niets van het wedstrijdverloop had meegemaakt.

Maar meest tekenend was de emotionele betrokkenheid van de journalist Van de Velde bij wantoestanden allerhande. Een typerend voorbeeld daarvan was zijn artikel Dialoog met een dode.

De Nieuwe Gazet van 12 januari 1960 blokletterde en hoofdletterde: Het Mysterie in St.-Augustinuskliniek te Wilrijk: Maria Senecaut op weerzinwekkende Wijze vermoord. De vrouw in kwestie werd op zaterdagochtend 9 januari 1960, 35 jaar oud, gedood in een kamer van voornoemd ziekenhuis. ‘Haar schedel werd verbrijzeld en het strottenhoofd overgestampt. Het bed van het slachtoffer werd in brand gestoken na de misdaad.’ Overijverige ziekenhuiszusters hadden de kamer, zo goed en zo kwaad het ging, weer op orde gebracht vooraleer de politie te ontvangen zodat eventuele sporen danig waren uitgewist. Het gebeuren bleef ook de volgende dagen voorpaginanieuws. Dader of daders werden niet gevat. Wel werd meedogenloos het doopceel van het slachtoffer gelicht. In de krant van 12 januari was Maria Senecaut ‘stewardess’ van beroep. Een dag later was de stewardess ‘naaktdanseres’ geworden (haar artiestennaam zou ‘Chrys de Lys’ zijn geweest). En nog twee dagen later spraken de dagbladen uitsluitend over een prostituee of een ‘deerne van lichte zeden’. Ook de teneur van de commentaren wijzigde. Het leek meer en meer voor de hand te liggen dat een vrouw die zo losbandig had geleefd ook brutaal aan haar einde zou komen.

Vijf dagen bleef Maria Senecaut de gemoederen beroeren en dan was er ander en belangrijker nieuws; de krantenkolommen werden met verse moorden en calamiteiten overspoeld. Tot op zaterdag 23 januari een opmerkelijk artikel van de hand van Roger van de Velde verscheen. De titel: Dialoog met een dode.

Het stuk begon aldus: ’De doden begraven is een werk van barmhartigheid. Ook als het gebeurt door de Commissie. Maar zelden zal een mens in vredestijd zo eenzaam, zo zielig, zo godvergeten en door iedereen verloochend in de grond zijn gestopt als gij, Maria Senecaut, die thans eindelijk rust hebt gevonden in de schrale, kille en bevroren aarde van het Schoonselhof.

Zelfs Maria Magdalena, Mata Hari, Magere Josje en andere vrouwen met een twijfelachtig emplooi werden op hun laatste tocht vergezeld door een kleine schare rouwende vrienden, want hun werd veel gegeven omdat zij veel bemind hadden. Voor uw stille uitvaart heeft geen mens een stap verzet, gedreven door liefde, genegenheid, smart of al ware het alleen maar een weemoedige herinnering.’

Na veertig jaar weet Rosa Verboven het me nog te vertellen alsof het gisteren was. Hoe Roger woedend was over het feit dat niemand de begrafenis van Maria Senecaut had bijgewoond. Hoe hij zich ergerde aan de denigrerende opmerkingen die collega’s maakten over ‘die vermoorde hoer’. Hoe hij in colère zijn column, zijn weerwoord, had geschreven. En hoe het stuk een mythe werd in Antwerpse journalistenkringen.

Het tekende de journalist Van de Velde. Hij kwam zeer rechtlijnig en compromisloos uit voor wat hij dacht dat goed was.

Zoals gezegd bleef Roger van de Velde ook tijdens zijn interneringsperiode schrijven voor De Nieuwe Gazet, vaak opmerkelijke en diepgravende artikelenreeksen. En altijd was er die gedrevenheid tegen onrecht.

In februari 1968 verschenen van zijn hand een aantal bijdragen over ’Vreemdelingen buiten in Antwerpen’ waaruit mag blijken dat de Antwerpse onverdraagzaamheid voor wie geen Sinjoor is, niet dateert van de jaren negentig.

In april 1968 volgden beschouwingen over de ’Jodendeportatie in Antwerpen.’

En in april 1969 publiceerde De Nieuwe Gazet de ophefmakende reeks onder de titel Het anticlericalisme van de clerus. Hierin ging Van de Velde tekeer tegen ’het despotisme en de dogma’s die door Rome worden opgelegd’. Bovendien fulmineerde hij behoorlijk tegen het celibaat. Het regende reacties en lezersbrieven. Maar Van de Velde bleef zeggen wat hij dacht.

Allicht zorgde zijn compromisloze koppigheid er mee voor dat zijn kafkaiaanse internering zo lang heeft geduurd. De slotalinea die hij in zijn Dialoog met een dode aan Maria Senecaut schreef, had men allicht even goed op zijn eigen uitvaart tot hem kunnen richten: ’Er bestaat dus geen reden om u in uw armzalig graf onder de hoge cypressen te ergeren over de harteloosheid van een wereld, die u als de pest heeft uitgedreven. Deze wereld is geen ergernis waard.

© Erik Vlaminck

2015-11-13