De slaapkamer (1967)

‘Reken daar maar op,’ zei Loman. ‘Zij zal zich deze dag haar leven lang blijven heugen. En als de rotzak ooit onder mijn bereik komt, sla ik hem een ongeluk. Reken daar ook maar op.’

‘Ik geloof dat wij met menselijk doorzicht veel meer resultaat zullen bereiken,’ zei de hoofdonderwijzer, die zijn waardigheid had herwonnen. ‘Uw dochter doorworstelt waarschijnlijk een vroege puberteitscrisis, en in zulke omstandigheden is het noodzakelijk haar met psychologisch verantwoorde middelen te helpen om haar moeilijkheden te overwinnen. Dat zult u als verpleger in een psychiatrische inrichting toch ook wel weten, meneer Loman.’

‘Ja, dat weet ik,’ zei Loman bitter. ‘De psychologie voor alles. De psychologie heelt alle wonden.’ Hij dacht aan Suiker-en-Zout-Willie met zijn pisbroek en aan het eczeem van Lauwers, met die stinkende zwarte Limaphole-zalf op zijn tandeloze smoel.

‘Ik zal met Anneke praten,’ zei hij bijna moedeloos.

 

‘Laat dat kind nu met rust,’ zei Martha, de vrouw van Loman.

Meer dan een uur lang had hij tevergeefs getracht de waarheid nog eens te horen uit de mond van zijn dochter. Niet omdat hij erop gebrand was zich met die waarheid met haar onthutsende details opnieuw te confronteren. Maar omdat hij hoopte uit de mond van Anneke, de kleine, onschuldige kindermond van Anneke, een verklaring, een verontschuldiging of tenminste verzachtende omstandigheden te vernemen. Hij wilde weten hoe een kind van veertien jaar ertoe komt het duistere, verboden spel van de grote mensen schaamteloos te bedrijven. Een jongen van vijftien jaar, tot daar toe. Het was zijn jongen niet. Maar een meisje van veertien. Zijn dochter.

Anneke had zich echter opgesloten in een bunker van stilzwijgen. Betrapt en beschaamd, verrast en verschrikt. Maar koppig in haar zwijgen. Zonder één uiterlijk kenmerk van spijt. Had zij spijt? Was zij zich bewust van enige schuld? En als zij zich daarvan bewust was, zou dit schuldbesef dan ingrijpend genoeg zijn om te weerstaan aan de verlokking van de geproefde vrucht? Haar stilzwijgen maakte hem razend, en toen hij dreigend de arm ophief om desnoods de waarheid uit die krampachtige gesloten mond te ranselen, had zijn vrouw zich tussen hen beiden geplaatst, en kortaf gezegd: ‘Laat dat kind nu met rust, Arnold.’

Laat dat kind nu met rust. De bedaarde woorden van Martha verbaasden hem. Het had hem reeds onmiddellijk verbaasd dat zij het onaanvaardbare zo kalm had aanvaard, toen hij haar bij zijn thuiskomst alles had verteld over het onderhoud met de hoofdonderwijzer. Zij had haar smalle hand even op haar voorhoofd gelegd, en in de schaduw van die hand kregen haar ogen de blauwe glans van een onuitsprekelijke spijt. Een oud en bezonken verdriet, dat onder de aanraking van de herinnering opnieuw wordt beroerd. Maar er lag geen verwijt in haar ogen. En ook geen ontzetting. Hij had gedacht, dat zij in snikken zou uitbarsten, of misschien een zenuwcrisis zou krijgen, zoals vroeger al eens was gebeurd bij een heftige scène. Maar nee. Haar hand was alleen over haar voorhoofd gegleden, zoals de wiekslag van een vogel, en zij had niets gezegd. Zij had niets gezegd tot hij woedend zijn hand ophief om Anneke een draai om de oren te geven.

Laat dat kind nu met rust. Sprakeloos had hij haar aangekeken, en in een flits was de gedachte door zijn hoofd geschoten: zou ook zij al zo vroeg met de smeerlapperij begonnen zijn? Zou zij, toen zij veertien jaar was, ook al met haar rok omhoog en haar broek omlaag in een donkere hoek bij een schurftige jongen gelegen hebben?

Het is niet mogelijk, dacht hij. Het is niet mogelijk. Maar hij wist het niet met zekerheid. Hij wist niets meer met zekerheid. Alles was mogelijk na hetgeen er met zijn dochter was gebeurd.

Hij had Anneke naar boven gezonden om de zaak verder in alle ernst te bespreken met Martha, maar zij scheen niet eens bereid tot een gesprek.

‘Straks,’ zei ze vermoeid. ‘Straks in bed. Ik wil vanavond eerst naar ‘Penelope’ op de televisie kijken.’

Een ogenblik had hij op het punt gestaan hoed en jas van de kapstok te grijpen, de deur keihard achter zich dicht te slaan, en zich ergens in een nabijgelegen kroeg te bezuipen. Maar hij had nog amper zestig frank op zak, en hij durfde Martha in deze omstandigheden niet om geld te vragen. Zij hield de kas.

2015-11-15