De slaapkamer (1967)

‘Als je straks weer moet wateren, haal dan die lummel uit je broek en doe het in de pisbak, of ik wrijf je met je neus in de stank,’ zei Loman dreigend. Hij zei het zonder veel hoop. Zoals men automatisch tegen een onzindelijke kat zegt dat zij in het zinken bakje moet gaan. Hij was ervan overtuigd dat Willie over een uur weer met een natte klodderbroek zou rondlopen. Maar over een uur werd Loman afgelost door Peterkeyn, en vanaf dat ogenblik kon Willie voor zijn part in het aquarium wateren.

‘Mijn hoed,’ zei Willie zeurend.

Loman raapte de oude, saffraangele vilthoed van de grond en zette hem op het oude, okergele hoofd. Die hoed vormde een onafscheidelijk deel van Willie. Zolang hij zijn hoed op het hoofd had, was Willie een tamme, volgzame patiënt. Misschien deed hij werkelijk zijn uiterste best om niet almaar in zijn broek te wateren, maar hij kon het toch niet blijven ophouden. Zonder zijn hoed werd hij agressief en volkomen onberekenbaar. Ongetwijfeld was die hoed een coëfficiënt van zijn complex; al viel dat moeilijk te achterhalen, want zijn woordenschat beperkte zich hoofdzakelijk tot enkele murmelende monosyllaben en de steeds weer terugkerende sleutelwoorden: mijn hoed, goedemorgen, goedemiddag, goedenavond, honger, honger, honger en Sebastopol. Hoe die roemruchte Russische oorlogshaven in het beknopte vocabularium was terechtgekomen, mocht een mysterie heten. De dokters hadden zich een tijdlang het hoofd gebroken over alle mogelijke associaties, maar het irriterende woord gaf zijn geheim niet prijs. Het was ondoorgrondelijk, zoals een door de tijd verweerde hiëroglief op een Etruskisch graf.

Willie liep de hele dag met zijn hoed op het hoofd, als een ietwat barok maar toch niet stijlloos ornament boven zijn pyjama. Onder die hoed deed zijn geel, langwerpig gezicht onwillekeurig denken aan de tragische grimas van Stan Laurel in één van die burleske Comedy Capers uit de heroïsche filmtijd. Alleen om te slapen deed hij afstand van zijn dierbaar bezit, maar zelfs dan hing het hoofddeksel nog binnen onmiddellijk bereik aan een haak naast zijn bed.

Jean-Louis had eenmaal de hoed voor de grap verstopt, en toen had Willie in paniek de dekens en de lakens en de matrassen van de bedden gesleurd en zo hartverscheurend gehuild, dat zelfs de plaagzieke Jean-Louis er koud van werd. Woe-oe, woe-oe, zoals een wolvin doodsnood. Sindsdien liet iedereen Willie met rust. Medisch was Suiker-en-Zout-Willie overigens geen interessant geval. Een vent met een eeuwige vilthoed op zijn hoofd en een eeuwig natte broek aan zijn gat. Een vent met één raadselachtig woord: Sebastopol. Niets om intensief psychiatrie mee te bedrijven.

Bols was wel een interessant geval. Dat was althans de mening van Loman. Mening, die gebaseerd was op zeven maanden geduldige observatie, en die dus in feite méér gefundeerd mocht heten dan het uiteraard nogal oppervlakkige oordeel van dokter Tavernier, die elke morgen als een passaatwind door zaal negen stormde en bij het drinken van een kop zwarte koffie amper de tijd vond om de rapporten in te kijken.

Bols was interessant vanwege zijn background en vanwege zijn ziektesymptomen. Hij was kandidaat in de theologie aan de Leuvense universiteit, toen hij plotseling geestelijk gestoord werd ingevolge een zwaar verkeersongeval. Hij beukte met het hoofd door de voorruit van zijn wagen, en het daaruit voortvloeiende hersentrauma noodzaakte een maandenlange behandeling. Toen hij lichamelijk hersteld het hospitaal verliet, bleek dat hij psychisch erg gestoord was en dat de kansen op volledige genezing problematisch mochten heten. Dit althans was de pessimistische mening van dokter Tavernier. Maar het gebeurt wel meer dat dokters in het algemeen en psychiaters in het bijzonder zich vergissen in hun prognose.

Loman was niet honderd procent akkoord met het standpunt van dokter Tavernier; al mocht hij daar natuurlijk niets van laten blijken. Hij redeneerde aldus: Bols vertoont ontegenzeggelijk ernstige geestesstoornissen, maar het feit dat de ontwikkeling van zijn dwanggedachten doorgaans is geweven op een logisch stramien wettigt de hoop op beterschap en, wie weet, zelfs op normale reïntegratie.

Volgens Loman was Bols een typisch geval van mythomanische caritatitis. Het was een terminologie van eigen vinding en hij was daar bijzonder trots op want hij had de identificatie in geen enkel psychiatrisch naslagwerk gevonden.

Nochtans klopte het als een bus. Bols voerde een voortdurende strijd tegen alle mogelijke gevaren, cataclysmen en duistere machinaties die het welzijn van de mensheid en het voortbestaan van onze planeet bestendig bedreigen. Hij was ervan overtuigd, dat hij als een soort purificator door hogere machten was aangesteld om de aarde van zelfvernietiging of een natuurlijke ondergang te redden. Het complex van Bols was gegroeid uit liefde voor de mens en eerbied voor maatschappelijke orde. Hij mocht in de manifestatie van zijn beginselen wel eens ongebruikelijke middelen aanwenden en een beroep doen op onverwachte argumenten, wat inderdaad op een mythomanische inslag wees, maar de strekking van zijn theorieën was bijna altijd caritatief.

Neem nu bijvoorbeeld die anti-vleescampagne. Bols had in principe ongetwijfeld niets tegen vlees als bestanddeel van de menselijke voeding. Voor hij toevallig het weekbladartikel met de theorie van dokter Leila Watson onder ogen had gekregen, had hij alle mogelijke vlees variaties met veel smaak verorberd. Hij nam altijd een dubbele portie fricassee, waarop hij verlekkerd was, en hij had zelfs een tijdlang de stelling verdedigd dat het eten van kabeljauw een nadelige invloed heeft op de stofwisselingsfunctie van de schildklier.

Maar nu hij tot de ontdekking was gekomen dat de hormonale opfokking van slachtvee de geslachtsrijpheid van jonge meisjes onrustwekkend vervroegt, had hij reeds een week lang onvoorwaardelijk overgeschakeld op een vegetariërsregime, en het leed niet de minste twijfel dat hij bereid was tot het einde van zijn dagen kabeljauw, jam, kaas en eieren te eten. Dat was een louter humanitaire instelling, waarbij zijn persoonlijk belang niet betrokken was, want hij had geen kinderen en hoefde zich dus in feite niet in het minst te bekommeren om de erotische tribulaties van het nageslacht.

Bols deed dat wel. Hij kon zich niet verzoenen met de ontstellende idee, dat het wereldbestel binnen afzienbare tijd ten onder zou gaan aan een epidemie van coïtus praecox. Daarom had hij reeds een week aan één stuk bij elke maaltijd een betogende actie gevoerd tegen het degusteren van vlees; een actie die culmineerde in de daad-bij -het-woord van Mauriske, toen hij die avond zijn lap gebakken lever naar de reproduktie van Buffet keilde.

2015-11-15