Kaas met gaatjes (1970)

Alhoewel ik hevige trek had in een borrel, werd mijn verlangen geremd door een moeilijk te definiëren gevoel van gêne. Ik had de indruk dat borrels in dit trieste lokaal slechts bij uitzonderlijke gelegenheden en dan nog met een zekere omzichtigheid werden geschonken. Ik bestelde een aperitief en Hens hoefde niet eens te preciseren wat hij wenste. Kennelijk was hij een vaste klant met regelmatige gewoonten. Na enig gestommel achter de tapkast bracht de vrouw een martini op een schoteltje en een kelkvormig glas bier van hoge gisting. Vervolgens keerde zij discreet terug naar haar leunstoel bij de kachel, waar zij met stille toewijding het haakwerk weer opnam. De kat niesde, wipte opnieuw in haar royale schoot en in zijn hoek bleef de jongeman met even ingetogen toewijding het tikkende en ratelende trekbiljart bespelen.

‘Prosit’, zei Hens en zette bedachtzaam het glas aan zijn lippen. Het was duidelijk te merken dat ook hij met een gevoel van gêne worstelde en geschikte woorden zocht om te verklaren waarom hij mij zo onverwacht op sleeptouw had genomen naar een ongezellig café, dat amper die naam verdiende.

Ik nam een teug van de martini, die de afschuwelijke smaak had van kleverige limonade.

‘Het zijn natuurlijk mijn zaken niet,’ zei Hens zonder mij aan te kijken. ‘U bent mij over uw doen en laten geen enkele verantwoording verschuldigd en u hebt volkomen het recht om mij onmiddellijk op mijn plaats te zetten als u denkt dat mijn bemoeizucht u kan kwetsen of ergeren. Als ik toch indiscreet durf zijn dan moet u vooraf van mij aannemen dat ik uitsluitend gedreven word door goede bedoelingen, al is ook dat natuurlijk geen garantie voor tact. Laat mij een kat een kat noemen. Ik heb al geruime tijd de indruk dat u te veel drinkt. In ieder geval ben ik ervan overtuigd dat u onverstandig drinkt en ik maak mij daar zorgen over. Als u op die manier verder gaat komen er onvermijdelijk moeilijkheden. Moeilijkheden op kantoor en waarschijnlijk ook buiten het werk. Dat zou ik jammer vinden. En u natuurlijk ook.’

Zijn zalvende, paternalistische en tegelijk afkeurende toon in de trant van de moraliserende intimidaties tegen het alcoholisme in de pseudo-wetenschappelijke brochures, had mij onmiddellijk tegen hem in het harnas moeten jagen. Tot mijn verwondering werd ik echter met een slag ontwapend door zijn onbevangen woorden, die mij nochtans raakten in de kern van mijn eenzame, verzuurde trots. Van een vriend, voor zover ik nog vrienden had, zou ik zo’n vernedering niet geduld hebben. Zelfs van Emma zou ik het niet aanvaarden. In de mond van iemand als Gustaaf Hens, met wie ik voordien nooit een vertrouwelijk woord had gewisseld, klonk de waarschuwing echter als de nuchtere vaststelling van een onweerlegbare evidentie. De hoofdboekhouder registreerde een feit waarover niet geredetwist kon worden. Daarenboven leek het excuus om zijn indiscretie mij oprecht, en het besef dat hij zich even onbehaaglijk moest voelen als ikzelf, brak elk impulsief verzet.

‘Zijn er dan klachten op het werk?’ vroeg ik. Ik gaf er mij op dat ogenblik geen rekenschap van dat het stellen van die vraag meteen een schuldbekentenis was.

Hij schudde het hoofd en verplaatste nauwgezet zijn glas enkele centimeters over het marmeren tafelblad. ‘Voorlopig niet. Althans niet vanwege de directie voor zover ik weet. Maar het kan niet uitblijven. Sommige collega’s, die ik niet hoef te noemen, beginnen te roddelen. Overigens kunt u niet verwachten dat men uw opvallende tekortkomingen welwillend zal blijven camoufleren en bijschaven. Collegiale solidariteit kan vlug omslaan in solidaire ontstemming. ‘

‘Wat bedoelt u met camoufleren en bijschaven?’ vroeg ik geïntrigeerd. Ik was mij bewust van het tactvolle stilzwijgen der anderen telkens als ik met een rood hoofd van het toilet kwam en moeizaam op de schrijfmachine begon te tikken. Ik wist natuurlijk ook dat er geroddeld werd. Maar van enige collegiale solidariteit had ik tot nu toe niets gemerkt.

‘U mag het niet beschouwen als een verwijt,’ zei Hens.

‘De laatste weken waren uw teksten herhaaldelijk zo slordig en ik mag wel zeggen zo onsamenhangend opgesteld, dat zij achteraf gecorrigeerd en gedeeltelijk bijgewerkt moesten worden.’

‘Wie van de collega’s veroorlooft zich mijn werk na te zien?’

‘Ik geloof niet dat het van zoveel belang is.’

‘Het is van belang voor mij. Ik heb het recht te weten wie zich zonder mijn voorkennis en toestemming met het bewerken van mijn teksten bezighoudt.’ Voor de eerste maal sinds wij achter het tafeltje hadden plaatsgenomen, keek Hens mij recht in de ogen. Zijn rustige, ietwat droevige en ais het ware hypnotische blik bedwong mijn wrevel.

‘Als u het dan toch wilt weten, kan ik verklappen dat ik zo vrij ben geweest uw werk enkele malen onder handen te nemen en aan te passen. Ik heb het gedaan zonder enige aanmatiging en naar beste vermogen. Geloof mij, het was nodig.’

Ik wist niet wat ik daar op moest antwoorden. Het geknetter van de speelkast werkte op mijn zenuwen en ik had opnieuw hevige trek in een borrel.

‘Nu verwacht u waarschijnlijk dat ik u zal bedanken?’ zei ik agressief.

Hens haalde de schouders op en dronk met smaak zijn glas leeg.

‘U hoeft mij niet te bedanken. Met dankbaarheid komt u geen stap verder. Ik wil u slechts waarschuwen dat het onvermijdelijk misloopt als u onder het werk blijft drinken. Er zal een ogenblik komen dat u zulke slordige teksten begint te tikken dat het niet meer door de beugel kan. Dan valt er niets meer te corrigeren en te camoufleren en zelfs niets meer te roddelen. Dan betaalt de directie u een maand extra salaris uit, met het verzoek om niet terug te komen. U kunt antwoorden dat ook dat mijn zaak niet is en dan hebt u gelijk. Voor mijn part drinkt u zoveel u wilt, waar en wanneer u wilt. Ook ik ben mijn broeders hoeder niet. Maar als u ermee door gaat moet u ook de gevolgen van zo’n roekeloze handelwijze onder ogen durven zien en consequent aanvaarden. Dat wilde ik u onder vier ogen aan het verstand brengen. Ik beken dat ik geruime tijd geaarzeld heb, maar tenslotte moest iemand dit initiatief nemen. Voor de goede orde op het werk en vooral in uw eigen belang. Drinkt u nog iets?’

De paradoxale slotzin van zijn ernstig betoog had zo’n bevrijdend effect dat ik onwillekeurig in een lach schoot en meteen de spanning voelde wijken. ‘U hebt volkomen gelijk,’ zei ik. ‘Ik drink te veel. Onder het werk, na het werk, en zelfs vóór het werk. Aangezien ik in dat opzicht niets meer te verbergen heb, mag u gerust weten dat ik nu een stevige borrel voor mijn rekening zou willen drinken. Aan martini heb ik niets.’

‘Jeanne, een dubbele Schiedam en een stout,’ riep Hens met de neutrale stem van een kelner. ‘Op mijn rekening,’ voegde hij er achteloos aan toe.

De corpulente vrouw zeilde weer achter de tapkast en bracht prompt de bestelde consumpties. Zij had enorme borsten en een vriendelijk gezicht met blauwe ogen. Het schenken van een borrel scheen in haar lokaal toch niet tegen de gewoonten in te druisen.

De zuivere, scherpe smaak van de Schiedam deed mij goed. Ik voelde mij warm worden. Geen koortsige hitte zoals op het toilet waar ik haastig en stiekem de zakflesjes leegdronk. Maar een weldoende, vlottende warmte. Als ik nu nog twee, drie borrels drink, word ik sentimenteel, dacht ik. Het vooruitzicht schrikte mij niet eens af. Eigenlijk had ik al lang behoefte om eens in een vlaag van sentimentele overgave lachend of huilend door de knieën te gaan voor de verbaasde ogen van een toevallige, wildvreemde getuige. Misschien dronk ik zo hardnekkig om mij krampachtig tegen die verdrongen behoefte te verzetten. Mijn enige verschrikte en verdrietige getuige was Emma en haar omfloerste blik was een bestendige vernedering.

2015-11-15