Kaas met gaatjes (1970)

Noch voor Emma, noch voor mezelf wilde ik bekennen dat ik, glijdend van een steile helling, verslaafd raakte aan het drinken van steeds grotere hoeveelheden alcohol. Alleen reeds het vernederende woord ‘verslaving’ ergerde mij uitermate. Maar stiekem begon ik vulgariserende brochures te lezen over het alcoholisme als ziekteverschijnsel. Maar ook in die pseudo-wetenschappelijke geschriften vond ik geen verklaring en evenmin een remedie. De moraliserende intimidatie stoorde mij op elke bladzijde en droeg nog meer bij tot mijn verwarring. Sommige symptomen klopten min of meer. Gebrek aan eetlust, gewichtsverlies, braakneigingen, apathie, transpiraties en een onbestemd tussen het drinken door golvend angstgevoel. Andere zogenaamde kenmerkende symptomen waren mij totaal vreemd. Mijn handen beefden niet, mijn geheugen en oriëntatievermogen waren niet ontredderd, ik had geen last van hartkloppingen of duizelingen, mijn seksuele potentie bleef onaangetast. Aan dit laatste feit klampte ik mij vast als een soort van geruststelling. Het volstond dat Emma zich ontkleedde, onmiddellijk had ik een erectie. Als zij haar kousen opstroopte was het witte vlees van haar dijen mij soms een voldoende prikkel om haar in een wilde opwelling en op de meest ongelegen momenten haastig te nemen op de divan. De alcohol scheen mijn viriliteit veeleer te stimuleren en zij liet mij begaan zonder enige blijk van weerzin. Als ik niet al te zwaar gedronken had, vond ik bijna elke avond bevrediging in haar passief lichaam. Misschien was het vooral een drang lot zelfbevestiging. Demonstratief wilde ik bewijzen dat de wijn mij tenminste op dat gebied niet aftakelde. Elk orgasme betekende een bijna triomfantelijke weerlegging van de moraliserende brochures niet hun geleuter over de impotentie van de alcoholist. De verwoestende ‘Cótes de Kabylie’ had niet de minste invloed op de productie van mijn sperma.

Soms gaf ik er mij wel rekenschap van dat ik het gewillig lichaam van mijn vrouw gebruikte als een bedrieglijk alibi om een roemloze vlucht te camoufleren en een beschamende evidentie koppig te negeren. Zoals een bedrogen minnaar zijn woede afreageert op de eerste de beste prostituee. Dat Emma zich zonder tegenstand of beklag leende tot een parodie van de liefde, waaraan zij weinig of geen genot kon beleven en die haar ongetwijfeld in haar vrouwelijk gevoel onteerde, vernederde mij nog méér. Radeloos trachtte ik die vernedering te verdrinken in nog méér alcohol. Ik deed eerlijke pogingen om mij te bezinnen op de oorzaak van de kwaal. Ik redeneerde: men kan plotseling, zonder voor de hand liggende aanleiding en middelen van afweer, ziek of krankzinnig worden. Maat drinken is geen oncontroleerbare besmetting van het lichaam of de geest. Het is een daad, voortvloeiend uit emoties en geconditioneerd door de wil. Er moet dus een reden zijn.

Ik vond geen reden. Ik vond slechts de woekering van die onverklaarbare, als het ware panische angst die mij onverhoeds overviel wanneer Emma met haar kopje thee onbenaderbaar naast mij naar het televisietoestel zat te kijken, of wanneer ik transpirerend midden in de nacht wakker werd en verdwaasd lag te kijken naar het slapende, zachtjes ademende lichaam dat ik enkele uren voordien nog onstuimig overrompeld had en waaraan ik voor de rest geen deel meer had. ‘Zeg mij tenminste waarom,’ had Emma gevraagd, en wie weet welke onzinnige vermoedens daarbij in haar hoofd hadden gespeeld?

Waarom?

Jarenlang had ik regelmatig en zonder overdrijving bier gedronken in de stamkroeg waar ik na kantoor doorgaans met enkele collega’s bleef pleisteren. Vier, vijf, uitzonderlijk zes glazen per avond. Het bier was een aangenaam maar overigens niet substantieel onderdeel van de gezelligheid. Slechts bij zeldzame, zogenaamde feestelijke gelegenheden liet ik de remmen los en dronk met roekeloze, ietwat uitdagende gretigheid. De volgende morgen werd ik dan wakker met een kater, zuiverde mijn ontredderde maag met Engels zout, nam mij stellig voor dat ik mij in de toekomst niet meer zou laten verleiden tot zulke buitensporigheden, en schakelde gewoon weer over op het gematigde gemiddelde van een half dozijn glazen bier per dag. Zelden gebeurde het dat ik na de stamkroeg thuis verder ging met drinken. Soms nog een paar borrels vóór het slapen gaan, als een soort branieachtig pendant van het glas lauwe, gesuikerde melk waarmee Emma zich telkens opwarmde en dat, naar zij glimlachend en waarschijnlijk even branieachtig beweerde, haar libido stimuleerde. Wijn dronk ik praktisch nooit, behalve in het restaurant ter wille van de stijl en de atmosfeer. Op mijn veertigste jaar was ik hoogstens, en dan nog incidenteel, tienmaal werkelijk dronken geweest.

In de drie maanden die volgden op de dood van Theo ben ik hoogstens tien dagen werkelijk nuchter gebleven.

In gemoede heb ik mij afgevraagd of er een verband bestond tussen mijn plotselinge drankzucht en de dood van mijn jongere broer. Het leek een te gemakkelijk en hypocriet excuus. Het was ook geen logische deductie.

Ik heb Theo nooit in het hart gedragen. Wij waren broers door een biologisch toeval in een familiaal verband dat ons in onze wederzijdse verhouding vrijwel onverschillig liet. Soms leek het mij een vergissing en bijna een belediging dat hij dezelfde naam droeg als ik. Reeds als knapen groeiden wij in het ouderlijk huis naast maar niet met elkaar op. Veeleer groeiden wij tegen elkaar in, zoals verwilderde planten. Zijn zelfverzekerd, aanstellerig en oppervlakkig opportunisme, die geoliede behendigheid waarmee hij alles naar zijn hand wist te zetten en uit alles munt wist te slaan, ergerde mij voortdurend. Hij is de eerste en misschien voornaamste oorzaak geweest van mijn introverte neigingen want al zeer vroeg kreeg ik de indruk dat hij mij de genegenheid van moeder ontfutselde, waarop ik onvoorwaardelijk aanspraak meende te mogen maken omdat ik de oudste zoon was in een gezin zonder vader. Ik heb hem nooit vergeven dat hij moeder, die een levenslustige maar nogal naïeve vrouw was, al spelenderwijze in een vrolijke en zelfs opgetogen stemming kon brengen, terwijl zij zich daarentegen stuurs zorgen maakte over mijn tegendraadse timiditeit. Evenmin heb ik hem vergeven dat hij later ook mijn eerste meisje wegkaapte. Niet om het verlies van dat spichtige ding met haar sproeten haar vlechten, dat zich beduusd tussen het struikgewas liet knuffelen. Wel omdat Theo mij brutaal confronteerde met de teleurstellende ontdekking dat een kwinkslag en een knipoogje voldoende waren om mij met één slag te beroven van iets dat mij op dat ogenblik, in de prille illusies van mijn zeventiende jaar, levensbelangrijk leek.

Naargelang wij volwassen werden, groeide mijn misprijzen. Gedreven door een sombere wraaklust, liet ik geen gelegenheid voorbijgaan om hem op mijn beurt te kleineren met zijn platvloerse aspiraties, die uitsluitend afgestemd waren op het veroveren van gemakkelijk succes, het verdienen van geld en het uitstallen van materieel welzijn. Zijn glimmende Chevrolet, zijn eigen huis met de keurig afgestofte teakhouten meubelen en de afgrijselijke reproducties uit de Italiaanse Renaissance, zijn snelle promotie bij de verzekeringsfirma, het voorzitterschap van een biljartvereniging, de kleurige diapositieven die hij trots in het herinneringsalbum etaleerde van zijn jaarlijkse vakanties in het buitenland, waren de exponenten van zijn bekrompen geluksideaal. Een geluk dat mij zo nietig leek als een kinderballon, en waarom ik hem toch in stilte benijdde, want juist zijn overrompelende, ongecompliceerde vitaliteit maakte hem onkwetsbaar. Hij teerde op de jubelende arrogantie van de geboren winnaar.

Het lijdt geen twijfel dat hij van zijn kant mij beschouwde als een weemoedige, onpraktische en eigenlijk onvolgroeide dromer, die dagelijks met de tram van een rommelig appartement naar een muf kantoor reed, die een biljartkeu hanteerde als een bezemstok, in obscure expositiezaaltjes obscure schilderijen ging bekijken, en soms op een bank aan het winderige Scheldeterras compensatie zocht voor de zonovergoten weelde van de Costa Brava. Mijn broze gevoeligheid voor poëzie en oude muziek, en vooral mijn onrealistisch gedweep met allerlei variaties op een gesublimeerd marxisme, misprees hij op zijn beurt als een romantische, ietwat ziekelijke pose, omdat hij volslagen allergisch was voor de hunkering naar irreële paradijzen.

De onverzoenlijkheid van onze karakters ontplofte meer dan eens in emotionele conflicten. In een vlaag van woede heeft hij eens een schaar naar mijn hoofd gesmeten omdat ik weigerde een van zijn stuntelige schoolopstellen in een meer leesbare vorm te gieten. Het projectiel bleef met een punt, enkele centimeters naast mijn linkeroor, als een dolk in de muur steken. Terwijl de grijnslach op mijn lippen verstarde in een grimas van ontzetting, wandelde hij rustig, met de handen in de zakken, de kamer uit en op dat ogenblik, meer dan toen hij mijn eerste meisje meelokte, besefte ik dat ik Theo verachtte. Zoals hij mij veracht moet hebben wanneer ik hem doelbewust en met nauwelijks verholen leedvermaak, in de ogen van anderen en van zichzelf met zijn culturele armoede te kijk stelde. Het kwam zover dat wij zelfs bij de begrafenis van moeder slechts enkele hoogstnoodzakelijke en banale woorden met elkaar wisselden. Ook die laatste band was allang verbroken. Na zijn huwelijk met een rijke redersdochter vervreemdden wij volledig van elkaar.

Het kon dus geen verdriet zijn dat mij naar de drank deed grijpen toen Theo onverwacht aan een schijnbaar onbelangrijke tumor met kwaadaardige verwikkelingen stierf. Hij lag al drie weken in het ziekenhuis toen ik toevallig vernam dat hij een dringende en ernstige operatie moest ondergaan. Ik herinner mij dat het bericht mij verwonderde zonder mij te verontrusten. Toen ik hem op aandringen van Emma de dag na de operatie ging bezoeken, lag hij dood in bed. Een gele, beenderige, bijna onherkenbare mummie, die niets te maken had met de kerngezonde, zelfbewuste en levenslustige man-van-de-daad, wiens spottende meewarigheid mij zo vaak gegriefd had. Onwillekeurig kwam ik in verzet tegen het zinloze feit, dat iemand van achtendertig jaar, bruisend van energie en toekomstplannen, plotseling kon sterven aan een toevallig gezwel ergens onder zijn wel verzorgde huid. Verbouwereerd stond ik met het pakje nutteloze druiven in de hand naast mijn snikkende schoonzuster aan het sterfbed en ik vroeg mij af wat er nu met de glimmende Chevrolet moest gebeuren, want zij kon geen auto besturen.

Psychiaters zullen allicht beweren dat de dood van mijn broer mij, door het pantser van misprijzen en onverschilligheid heen, traumatiseerde. Misschien hebben zij gelijk, al sta ik uitermate sceptisch tegenover spitsvondige wetenschappelijke interpretaties van het menselijk gedrag. Een feit is evenwel dat ik na het overlijden van Theo in toenemende mate begon te drinken. Een feit is ook dat met het drinken uit een niet te definiëren schuldgevoel, de angst groeide voor een bedreiging die ik evenmin onder woorden kon brengen. Met rationale maatstaven was er geen oorzakelijk verband te leggen. Gebeurtenissen die mij emotioneel veel sterker hadden aangegrepen dan de dood van mijn broer, zoals de miskraam van Emma, een jaar na ons huwelijk, en haar daaruit voortvloeiende onvruchtbaarheid en later de dood van moeder, dreven mij niet naar de drank. Het is mogelijk dat ik zonder de fatale tumor van Theo even fataal overspoeld zou zijn geworden door de ‘Côtes de Kabylie’.

Wie zal het zeggen? Waar ligt de grens tussen het redelijke en het absurde? Wat is redelijk en wat is absurd? Moedeloos hield ik ermee op een aanvaardbare verklaring te zoeken. Rusteloos ging ik verder met drinken.

Tenslotte begon ik stiekem ook op het werk te drinken omdat ik zonder het analgeticum van de alcohol de onrust en het lichamelijk onbehagen van acht uur ‘s morgens tot zes uur ‘s avonds niet meer kon bedwingen.

Aanvankelijk liep ik onder een of ander voorwendsel op ongeregelde tijdstippen uit het kantoor weg om in een nabijgelegen café haastig enkele borrels te drinken. Ik kon de voorwendsels om mij met korte tussenpozen van het werk te verwijderen echter niet blijven opstapelen zonder argwaan te wekken. Daarenboven verwonderde de caféhoudster zich kennelijk over mijn gejaagde en ongewone manier van doen. Een klant die op de meest onverwachte ogenblikken schichtig over de drempel wipt om zonder commentaar en met een schuldige blik een cognac te drinken, wordt aldra beschouwd als een verdacht individu. Enkele malen trachtte zij een gesprek te beginnen, maar ik gaf slechts korte, ontwijkende antwoorden, als iemand die iets duisters of onbetamelijks in het schild voert. Een tijdlang speelde ik met het voornemen om wijn in een thermosfles mee naar kantoor te nemen. Zoiets kon echter niet onopgemerkt blijven, afgezien van het feit dat Emma zo’n manoeuvre nooit zou dulden. Uiteindelijk zocht ik mijn toevlucht in zakflesjes goedkope jenever, die ik mij links en rechts in likeurwinkeltjes aanschafte bij de aankoop van sigaretten. In theorie leek het een vernuftige tactiek. Ik zonderde mij af op het toilet, dronk de helft van een flesje en zoog pepermuntjes om mij niet door mijn adem te verraden.

Na een tiental dagen was de tactiek een publiek geheim op het kantoor. ’s Morgens kon ik doorgaans nog de schijn van een ietwat trage zelfbeheersing redden, maar na het tweede of derde zakflesje tegen het einde van de middag bleken de pepermuntjes van geen nut meer. Niet alleen mijn adem werd geïnfecteerd. Ook de teksten, die ik moeizaam uit mijn schrijfmachine tikte, werden gaandeweg slordiger. Hoewel ik mijn aandacht hardnekkig op de toetsen concentreerde, ontging het mij niet dat de collega’s veelbetekenende en kommervolle blikken van verstandhouding met elkaar wisselden. Als ik hun heimelijk loeren uitdagend trotseerde, concentreerden zij zich op hun beurt met al te demonstratieve toewijding op hun werk. In de geladen stilte zat ik dan halfdronken een benauwd schuldgevoel te kweken. Tussen de pepermuntjes door kauwde ik verstolen koffiebonen. Het gruis bleef hinderlijk tussen mijn tanden zitten en soms had ik de stellige overtuiging dat heel het vertrek stonk naar mijn adem. Slechts als het hoogstnodig was, durfde ik nog naar het toilet gaan en het gebeurde dat ik daar een halfuur, met het hoofd tussen de handen, op het gladde deksel boven de wc-bril bleef zitten voor ik de moed kon opbrengen om met onzekere stappen terug te keren naar het bureau en er met weke vingers het gevecht met de schrijfmachine voort te zetten. Al sinds weken had niemand mij meer gevraagd om na het werk een glas te gaan drinken in de stamkroeg. Ik zou de uitnodiging trouwens van de hand hebben gewezen. Mijn enige zorg was: zo spoedig mogelijk na het werk thuis te zijn. Thuis, dat wilde zeggen: bij de flessen ‘Côtes de Kabylie’ naast het gasfornuis.

Op een avond, even vóór het sluitingsuur van het kantoor, kwam Hens van de hoofdboekhouding achter mij staan; ik was bezig mijn papieren te rangschikken in het daartoe bestemde wandkastje. Ik had hem niet opgemerkt en herkende zijn dunne stem niet, zodat ik mij bruusk omdraaide met het gevoel op iets betrapt te zijn. Hij vroeg mij schijnbaar achteloos of ik na het werk een glas met hem wilde drinken.

Het onverwachte voorstel verbaasde mij ten zeerste en maakte mij tevens achterdochtig. Gustaaf Hens was een magere, ietwat schuwe zestiger met een mistroostig voorkomen. Een eenzelvig man, die de indruk wekte dat hij voortdurend over iets liep te treuren. Dank zij een nauwgezette vlijt en een voorbeeldige staat van verdienste had hij langzaam promotie gemaakt, zonder evenwel zijn gezag demonstratief bij ondergeschikten te laten gelden. Bijna onopgemerkt liet hij zich drijven op de vlakke consideratie waarop een modelbediende aanspraak kan maken. Karig met zijn woorden en beheerst in zijn gebaren, zocht hij buiten het professionele vlak zelden toenadering tot de collega’s. Van zijn privé-leven wist ik niets. Het had mij ook nooit geïnteresseerd. Het was mij niet eens bekend of hij gehuwd was. Hij zag er uit als een gefrustreerde vrijgezel, die zijn vrije tijd op een huurkamertje besteedt aan het verzamelen van zeldzame vlinders en het lezen van onbetrouwbare historische romans.

Tot dusver was onze relatie hoofdzakelijk beperkt gebleven tot het stereotiep, bijna automatisch wisselen van een beleefde maar vluchtige groet bij het betreden en het verlaten van het kantoor. In de stamkroeg had ik hem nooit een voet zien zetten. Daarom had zijn invitatie iets van een hinderlaag. Ik meende er het voorteken in te onderkennen van een duistere bedreiging. Misschien had hij de opdracht gekregen om mij langs een omweg op de hoogte te stellen van mijn ontslag.

2015-11-15