Kaas met gaatjes (1970)

Het drinken van wijn was een moeizaam volgehouden moderatie om de behoefte zoveel mogelijk in te tomen. Daarenboven was wijn goedkoper dan sterke drank en vinniger dan bier. Bier voldeed niet meer als surrogaat. Zelfs pale-ale bleef als een lauwe, klotsende plas in mijn maag drijven, zonder mijn bloed te verwarmen en de onrust te verdrijven.

In het warenhuis had ik een vulgaire soort Algerijnse wijn ontdekt met een tamelijk koppig boeket: ‘Côtes de Kabylie’. Een schraal afvalproduct, dat onder een riant etiket in lompe literflessen geïmporteerd werd ten gerieve van de weinig kieskeurige gastarbeiders die in kolonies samenhokten langs de havenkant. Na drie weken was mijn gehemelte gewend aan het zerpe, chemisch opgefokte piment. De smaak was trouwens van weinig belang. Van belang was het verzadigen van de lintworm die knagend om zijn dosis alcohol vroeg.

Enkele malen had ik in de vroege morgen niet aan de verleiding kunnen weerstaan om een paar glazen cognac in mijn lege maag te gieten. Ook toen stond ik voor het keukenraam, boven de pot bloeiende geraniums, te kokhalzen en te hoesten tot Emma van de trap kwam en zonder een woord de fles wegborg in de kast. De derde maal draaide zij de kast op slot en stak de sleutel in de zak van haar peignoir. Zij legde zich neer bij het drinken van wijn, maar duldde niet dat ik ‘s morgens al naar sterke drank greep. Sinds ik een keer in de zweetlucht te midden van de opeengepakte lichamen in de tram onpasselijk was geworden en zwijmelend naar huis was teruggekeerd, had zij beheerst en onverzettelijk haar voorwaarden gesteld. Geen sterke drank op mijn nuchtere maag. Zij was bereid de kwaal te aanvaarden en de inconveniënten mede te ondergaan, maar zij wilde niet dat anderen getuige waren van het verval. Dat was waarschijnlijk ook de reden waarom zij er met niemand over sprak. Het was vreemd. Hoewel het drinken mij lichamelijk tot rust bracht, nam mijn angst voortdurend toe. Fysisch ontspannen en lichtjes beneveld moest ik soms een plots opkomende weerzin overwinnen om naar het werk te gaan, in de ondefinieerbare, intuïtieve vrees dat mij onderweg een ongeluk zou overkomen. Dat gevoel was niet zomaar een kortstondige opwelling. In de loop van de dag laadde de vrees zich op, zoals de energie in een batterij. Tot ik ‘s avonds de samengebalde onrust onbelemmerd kon oplossen in de donkere bedwelming van de ‘Cótes de Kabylie’. De sfeer van die avonden trok mij aan en stootte mij af. Zwijgend zaten wij naast elkaar op de divan en voor het televisietoestel, Emma met een kopje thee en knabbelend aan een droog koekje, ik met de flessen wijn naast mij op de grond, in mijn onmiddellijk bereik. Meestal zat ik na een paar uren apathisch te staren naar het flikkerende scherm waarop de gestalten surrealistische vormen aannamen en de geluiden van zeer ver schenen te komen. Meer dan eens werd ik midden in de nacht transpirerend wakker in de duisternis van de slaapkamer en herinnerde mij niet hoe ik in bed was geraakt. De rustige ademhaling van Emma en haar tenger lichaam aan mijn zijde vervulden mij dan met een onuitsprekelijk verdriet, maar versuft door de na roes gleed ik spoedig weer weg in de slaap.

2015-11-15